Meningsverschil

Het meningsverschil was al een tijdje gaande en dreigde nu uit te lopen op een ordinaire schreeuwpartij. Een aantal mensen stond -net als ik- op een afstandje belangstellend te kijken hoe het af zou lopen.

Het was zaterdag en het was druk op de markt. De vrouw had kennelijk de week ervoor een dekbedovertrek gekocht en kwam het nu terugbrengen. Dat kon. Ze kreeg alleen haar geld niet terug. De marktkoopman legde haar, voor inmiddels de vierde keer, uit dat ze een ander overtrek mocht uitzoeken. Maar dat wilde ze niet.

‘Ik heb hetzelfde overtrek ergens anders gezien voor twintig euro minder. Die wil ik gaan kopen en ik heb dan dus geen overtrek van jou meer nodig’, zei ze met stemverheffing. ‘Er staat hier een bordje ‘niet tevreden, omruilen mag altijd, geen geld terug’, wees de koopman die inmiddels rood was aangelopen.

Er ontstond een soort impasse waarin ze beiden op steeds luidere toon hun standpunt herhaalden en ik vermoedde dat dit nog wel even door zou gaan. Ik liep erheen. ‘Kan ik helpen?’, vroeg ik.

Deze interruptie had effect, in die zin dat ze nu allebei tegen mij gingen schreeuwen. ‘Bemoei je d’r niet mee!’ ‘Wat gaat het jou aan?’ Ik bleef rustig. Als mediator heb ik wel vaker een situatie dat de partijen boos op mij worden. Op spannende momenten is een vrijwillig aangeboden bliksemafleider een dankbaar object.

Ik zei niets, maar wees om me heen. Het viel ze nu pas op dat er zich inmiddels een heel publiek om de kraam had verzameld. Ze vielen stil. ‘Mag ik wat voorstellen?’, vroeg ik. Dat mocht. ‘Als jullie nu eens allebei om beurten je verhaal aan mij vertellen. Niet aan elkaar, maar aan mij. Dan kijken we daarna verder. Wie wil er beginnen?’

De vrouw begon en vertelde wat mij inmiddels al duidelijk was: overtrek gekocht, ergens anders goedkoper, geld terug want geen overtrek meer nodig. Ze voegde er alleen nog iets aan toe dat ik niet eerder gehoord had. ‘Sinds mijn man arbeidsongeschikt is, zitten we ontzettend krap bij kas. Ik kan zelf geen werk vinden en ik moet echt elke cent omdraaien.’ Ze zei nog iets. ‘Ik snap heus wel dat dat vervelend is voor u’, zei ze tegen de marktkoopman. ‘U moet ook u brood verdienen.’

Ik vatte samen wat ik gehoord had: ‘U heeft hier een overtrek gekocht en heeft het elders voor twintig euro minder gezien. Omdat u weinig geld hebt, koopt u het liever daar, maar dan wilt u dit overtrek terugbrengen. U snap wel dat dat niet prettig is voor de verkoper.’ Ze knikte.

Nu was het de beurt aan de marktkoopman. ‘Ik sta hier al jaren en ik verkoop alleen maar goede kwaliteit. Mevrouw heeft vast een ander overtrek gevonden maar dat kan voor twintig euro minder nooit zo goed zijn als het mijne. De zaken lopen niet best met de komst van internetwinkels en er staat duidelijk dat ik geen geld teruggeef.’ Ook hij voegde iets toe. ‘Vervelend van uw man, mijn vrouw is ook arbeidsongeschikt’, zei hij tegen de klant.

Ik vertelde weer wat ik (tussen de regels) gehoord had. ‘U verkoopt kwaliteit tegen een concurrerende prijs. Het zijn slechte tijden op de markt door de komst van internet en u moet dus een beetje streng zijn. U geeft dus geen geld terug maar u snapt dat mevrouw in een lastige situatie zit.’ Dit klopte.

Ik had in ieder geval bereikt dat ze naar elkaar geluisterd hadden. Ze keken allebei naar mij. Hm, wat nu? Ik zei tegen de vrouw ‘meneer zegt dat hij geweldige kwaliteit levert voor deze prijs’. ‘Dat klopt, dit is een veel mooier overtrek’, gaf ze toe, ‘maar ik heb niet zoveel te kiezen op dit moment’. ‘Mevrouw vindt uw overtrek mooier, maar ze kan het zich niet eigenlijk niet veroorloven’, zei ik tegen de verkoper.

Inmiddels was het kringetje medeluisteraars opgedroogd. Het was duidelijk minder spannend. ‘Weet je wat’, zei de verkoper opeens tegen de vrouw. ‘We delen het verschil. Ik geef je tien euro terug en dan houd je het overtrek’. Dit klonk best redelijk, althans in mijn oren, maar de vrouw schoot in tranen. ‘Ik vind dat heel erg aardig van u, maar ik kan het me echt niet veroorloven. Twintig euro, dat is het schoolreisje van mijn kleine.’

Verbaasd

Ik merkte dat mijn ogen ineens ook wat vochtig werden. En niet alleen de mijne. De marktkoopman deed zijn geldlade open en pakte een biljet van twintig euro. Hij stak zijn hand uit naar de vrouw. ‘Hier’, zei hij, ‘ik wil je kind zijn schoolreisje niet onthouden’. Hij tastte in zijn broekzak en haalde er een twee euromunt uit. ‘En laat hem van mij maar een ijsje kopen.’ De vrouw keek verbaasd en deed toen een stap naar voren. Haar ogen straalden. ‘Mag ik u een dikke pakkerd geven’. Dat mocht. Ik was duidelijk niet meer nodig. Met mijn dochter, die al die tijd op een afstandje had staan wachten liep ik naar de stroopwafelkraam.

Maud Groenberg

 

Pin It on Pinterest

Share This